MyrtheRythmes
MyrtheRythmes
Astrologisch advies, workshops & lezingen
Astrologisch advies, workshops & lezingen

 

Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3. Hoofdstuk 3

P.J. Blok uit: Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 3. Hoofdstuk 3, De Republiek tijdens de voogdij van den hertog van Brunswijk en den jongen Willem V. p.518 t/m 522. De Zevenjarige oorlog had echter aanstonds voor de Republiek deerlijke gevolgen. De nederlandsche handel had, hoewel enkele groote kooplieden aanzienlijke winsten hadden gemaakt, door de langdurige onveiligheid ter zee aanmerkelijke schade geleden2); vooral de kleine handelaars op West-Indië hadden veel geld verloren3). Rijke kooplieden, beducht voor de zware verliezen, die bij den goederenhandel hun kapitaal bedreigden, trokken zich uit de zaken terug en gingen van hunne renten leven; jonge koopmanszoons, in weelde grootgebracht, ontwenden aan de kantoorkruk, verteerden hunne door de vlijt der vaderen verzamelde schatten in ledigheid en vergenoegden zich evenzoo met het innen hunner renten. Wel was na den val der regentenpartij in 1748 een aantal harer jongere leden weder in den handel getreden maar menigeen ook van deze was zich niet langer op den warenhandel maar op den grooten winst belovenden geldhandel gaan toeleggen4) en het aantal kassiers- en bankiershuizen te Amsterdam nam ziender oogen toe. De Zevenjarige oorlog, die verscheidene mogendheden in groote geldverlegenheid bracht, en daaronder Engeland niet het minst, had daarop een belangrijken invloed. Het kapitaal, door de in handel en nijverheid geleden verliezen afgeschrikt, had zich meer en meer gewend tot belegging in staatspapieren, vooral vreemde staatspapieren, die hooge rente plachten af te werpen. Amsterdam, vroeger de zetel van den goederenhandel, was thans ook die van den geldhandel geworden en met dezen had de beursspeculatie in fondsen de handelswereld sterker overheerd, al was de handel ook in goederen nog steeds van groote beteekenis. Het behoeft geen nader betoog, dat de in de 18de eeuw van alle kanten komende aanvragen tot het sluiten van leeningen te Amsterdam spoedig konden vinden wat zij begeerden. Vreemde mogendheden, van Engeland5), Frankrijk en Oostenrijk af tot Rusland, Denemarken, Spanje, Zweden, Polen, tot de kleinere en kleinste duitsche staten toe, buitenlandsche vorsten voor zich persoonlijk, duitsche steden en bergwerken, eilanden in de Antillen, inlandsche en buitenlandsche maatschappijen, hooge en lage overheden van stad en land, admiraliteiten, plantages in Suriname en het overige Guyana, ook in Engelsch-Amerika, bijzondere 1)Archives, IV, p. 323 suiv. 2)ib. p. 327 suiv. 3)Vaderl. Hist., XXIII, blz. 229 vlg. 4)Elias2, Inl., blz. 234 vlg. Vgl. Manger, p. 16 suiv. 5)Van de 100 mill. pd. sterl., waarop de engelsche staatsschuld toen geschat werd, was ¼ in hollandsche handen (Hardenbroek, Gedenkschriften, I, blz. 217); bovendien bezaten nog velen hier te lande aandeelen in engelsche maatschappijen, zoodat men berekende dat hier jaarlijks 15 mill. pd. aan interest van engelsche schuld geïnd werd. Vgl. De Koopman, dl. III, passim, en Sautijn Kluit, De Amsterdamsche Beurs in 1763 en 1773 (Amst. 1865), blz. 76 vlg. [p. 519] personen met aanzienlijk grondbezit, waterschappen en dijkgenootschappen binnenslands kwamen naar de amsterdamsche beurs om geldleeningen te bewerkstelligen. ‘Daar is schier geen broederschap, die de besmetting van deze geldligting niet ondervonden heeft’, zegt Elie Luzac1); de lijst van geregeld op de beurs verhandelde fondspapieren nam van jaar tot jaar toe2). Door die omstandigheden veranderde de amsterdamsche handel zelf, door de toenemende concurrentie toch reeds geslonken, van karakter en trad de geldhandel in de oude handelsmetropool steeds meer op den voorgrond. De wisselhandel, ongeveer sedert het begin der 18de eeuw hier te lande zeer ontwikkeld bij den toenemenden uitvoerhandel naar Duitschland en het Noorden, vooral naar Rusland, kon in die omstandigheden welig tieren, zoodat honderden en honderden in den lande aanzienlijke winsten maakten uit het disconteeren der wissels, waarvoor zij hun kapitaal beschikbaar stelden. Het bankiersbedrijf begon te Amsterdam een steeds meer gezochte tak van werkzaamheid te worden en tal van kleine kapitalen, samen ‘onnoemelijke sommen’ vertegenwoordigend, waren daarbij in steeds hoogere mate betrokken. Vooral de Joden legden zich met kracht op dien handel toe en toonden zich als vanouds meesters op dit gebied, zoowel die van de ‘portugeesche natie’, die reeds in de zeventiende eeuw veel in actiezaken en speculatie gemengd was geweest, als van de ‘duitsche natie’, die in den laatsten tijd zeer in welvaart was toegenomen. En de oude aantrekkingskracht van het beursspel liet zich ook nu weder krachtig gelden. Gelijk omstreeks 1720 begaven zich weder tal van kleine kapitalisten en ook rijke kooplieden tot het ‘wedspel’, tot verderfelijke speculatie op het rijzen en dalen der ‘publieke effecten’ onder den invloed van bijna niet te berekenen staatkundige en economische oorzaken. De ‘actionisten’ begonnen weder hun onzalig werk. Bij de belangrijke geldoperatiën, die door den Zevenjarigen oorlog in Duitschland noodzakelijk waren geworden, zoo voor de militaire behoeften der oorlogvoerende mogendheden zelf als voor de betaling der talrijke aan stad en land opgelegde schattingen, was de amsterdamsche beurs sterk betrokken3). Die geldoperatiën nu gaven aanleiding tot reusachtige uitbreiding van den reeds vroeger door den reëelen handel bloeienden wisselhandel met Amsterdam en Hamburg tot middelpunten, welke handel welhaast bij de ontelbare endossementen der wissels op zijn beurt een omvangrijke ‘wisselruiterij’ deed ontstaan, het gevolg van buitengewone behoefte aan krediet zonder al te nauw toezicht op de financieele waarde dier endossementen. Nog erger werd de zaak, toen Pruisen en Zweden in hun uitersten nood tijdens de vooral voor het eerste land gevaarlijke crisis omstreeks 1760 de munt gingen verzwakken en het laatste rijk, tot nadeel der waarde zijner munt, ongedekt papiergeld bij massa's uitgaf, waarvoor groote sommen in specie daarheen moesten worden gericht. Hamburg, door zijn ligging als aangewezen om als tusschenstation voor die operatiën te dienen, was in een en ander diep gewikkeld en menig koopman ook aldaar stak zich veel verder dan zijn middelen hem veroorloofden in de speculatie, die het dadelijk gevolg ervan was, omdat zij bij succes reusachtige winst beloofde. Maar ook te Amsterdam werd misbruik gemaakt van het krediet, dat de 1)Hollands Rijkdom, II, blz. 304, 309. 2)In het Rijksarchief bevindt zich onder de papieren van Steyn een lijst van ‘vreemde negociatiën ten comptoire’ van amsterdamsche firma's, waarop voor 1772 een 100tal leeningen worden genoemd tot een bedrag van bijna 100 millioen, 5% door elkander, buiten de engelsche papieren. Vgl. verder Van der Meulen, Westindische plantageleeningen, in Bijdr. en Meded. Hist. Gen., dl. XXV, blz. 490 vlg. 3)Sautijn Kluit, De Amsterdamsche Beurs, blz. 2 vlg. [p. 520] amsterdamsche koopman vanouds buitenslands bezat, en een wilde wisselruiterij begon ook daar op te komen. Nu kwam in 1763 de vrede en daarmede de pogingen van Frederik II om den tijdelijk verwarden toestand zijner munt weder te verbeteren door intrekking der oude en het slaan van nieuwe muntstukken, wat opnieuw verwarring in de middelen van verkeer, dat is in het verkeer zelf, veroorzaakte. Groote hoeveelheden goud en zilver vloeiden naar Hamburg, ten deele tot betaling der tijdens den oorlog vervallen wissels, ten deele ten behoeve der nieuwe munt, die in Pruisen en daarna in de naburige van dat rijk economisch afhankelijke kleinere duitsche staten zou worden geslagen. Maar het bestuur der hamburgsche Bank, die na den oorlog, om tot afrekening te komen, juist de groote beleeningen, op edel metaal bij haar gedaan, had opgezegd, weigerde al het nieuwe metaal aan te nemen, dat nu naar Amsterdam terugvloeide, waar men het voor de groote engelsche leeningen dier dagen zeer goed kon gebruiken. Daar was de reëele zoowel als de fictieve wisselhandel op Duitschland en de Noordsche rijken altijd meer toegenomen, zoo zelfs dat de wissels langzamerhand een bedrag vertegenwoordigden verre - men berekent tot vijftienmaal - boven de werkelijke waarde, dat is zonder dat de fondsen voor de betaling bij de trekkers aanwezig waren. Iederen postdag werd voor duizenden en duizenden aan niet betaalbare wissels van Zweden uit op Amsterdam getrokken met order om tegen den vervaldag weder op Hamburg te trekken1). Dit ging alles nog vrij goed, zoolang er niet afgerekend werd en het geld ruim vloeide, maar moest op den duur spaak loopen en in den voorzomer van 1763, toen de afrekeningen na den vrede in vollen gang kwamen, liepen er reeds allerlei geruchten van zoowel te Amsterdam en te Hamburg als in andere aanzienlijke koopsteden te wachten faillissementen. Het groote handelshuis van Jean De Neufville te Amsterdam, sedert lang als een steunpilaar der beurs bekend maar diep in de wisselruiterij van den laatsten tijd en bovendien in allerlei aandeelen-speculatie betrokken2), viel den 25sten Juli plotseling, met een passief van bijna 3 millioen, en sleepte een groot aantal kleinere huizen van ‘negotie’ - men sprak van een 50-tal - in zijn val mede. Daarmede werd aan het krediet te Amsterdam een zware slag toegebracht, zoodat het toch al spaarzaam vloeiende contante geld zich angstig terugtrok en de amsterdamsche Bank al hare krachten moest inspannen om bij de toenemende paniek een algemeene ineenstorting van het krediet te voorkomen. En de hier gevallen slag deed zich aanstonds niet minder te Hamburg gevoelen, waar bij de honderd aanzienlijke, met amsterdamsche firma's in betrekking staande handelshuizen hunne betalingen moesten staken en de Bank zelfs tijdelijk gesloten werd. Er dreigde in die stad oproer tegen de Joden, die men voornamelijk van de kwade wisselpraktijken beschuldigde. Eerst in September herstelde de hamburgsche beurs zich met moeite van den ontvangen schok, die ook te Stockholm, Kopenhagen, Berlijn en Leipzig gevolgen had gehad. Zoo ernstig was de zaak, dat de regeeringen, beducht voor een algemeene geldelijke crisis over gansch Europa, met name die van Pruisen, welke het zwaar geteisterde land op allerlei wijzen weder trachtte omhoog te heffen, zich met haar bemoeiden en Frederik II op verzoek zijner kooplieden bij de Staten-Generaal aandrong op een snelle regeling te Amsterdam ten einde het huis De Neufville, met welks lot zoovele andere huizen, die met 1)Sautijn Kluit, blz. 11. 2)Ib., blz. 39. Reeds in 1761 was het bijna failliet maar werd toen nog bijtijds geholpen (d'Affry, l.l., blz. 389). [p. 521] de pruisische en engelsche regeeringen zaken deden1), verbonden waren, nog door krachtige staatshulp van den ondergang te redden, iets waarop ook van Hamburg uit met ernst werd aangestuurd. Maar de Staten-Generaal waren niet gezind zich in te laten met den ‘windhandel’ en ook die van Holland, ofschoon eerst wel geneigd om iets te doen, lieten ten slotte ‘het strenge regt zijn loop’. Zoo werd de zaak van het amsterdamsche huis dus aan den rechter overgelaten. De paniek, die te Amsterdam in Augustus en September 1763 had geheerscht en bijna geen handelshuis van beteekenis ongemoeid had gelaten, nam in het najaar langzamerhand een einde, al werd sedert deze gebeurtenissen de daardoor weinig of niet aangetaste beurs te Londen met Hamburg ook op het gebied van den geldhandel een scherpe mededingster der amsterdamsche. Het gebeurde gaf, zooals te verwachten was, wederom aanleiding tot de verschijning van een gansche reeks van pamfletten, brieven, projecten, overwegingen, blijspelen, paskwillen en gedichten, waarvan ‘de luifels der boeknegotianten stijf stonden’2) en die vooral gericht waren tegen de bankroetiers in het algemeen en tegen de Joden, welke laatsten ook hier te lande voor de schuldigen aan de crisis werden gehouden. Maar het grootste nadeel voor den amsterdamschen handel was, dat het krediet der oude handelshoofdstad, ‘de eerste grondzuil van den handel’, een ernstigen schok had ondervonden, al kwam spoedig het geld, dat niet lang renteloos kon blijven liggen, weder uit de kisten en kasten der renteniers voor den dag en kon de reëele wisselhandel spoedig weder zijn gewonen loop nemen. Door langzame afwikkeling der zaken van menige in het nauw gebrachte firma kwam nog veel terecht wat op het eerste gezicht verloren scheen. De Neufville beloofde een jaar later 60% uit te zullen keeren en het veelszins verdachte maar om zijn groote operatiën ook veelbenijde handelshuis werd aldus gerehabiliteerd: op het einde der eeuw wachtte echter nog menig crediteur op zijn aandeel in de uitbetaling, die zeer langzaam in het werk ging. Ook andere, binnenlandsche, geldelijke aangelegenheden leverden in dezen tijd bezwaren op. Een in 1665 door het gewest Stad en Lande voornamelijk bij hollandsche kapitalisten geplaatste leening op lijfrenten was sedert 1685 niet meer betaald geworden, ofschoon nu en dan de Staten van Holland voor hunne ingezetenen waren opgekomen bij die van het nalatige gewest, dat bij Holland zelf gewoonlijk in voorschot stond, zooals trouwens met andere gewesten eveneens het geval placht te zijn. Maar niets mocht helpen: de onder Willem IV ten opzichte der generaliteitskas nog altijd achterstallige provincie bleef ook onder prinses Anna nalatig in het nakomen harer verplichtingen. http://www.dbnl.org/tekst/blok013gesc03_01/blok013gesc03_01_0023.htm